jurgentiekstra.nl

januari 25, 2010 - Leave a Response

Ik blog voortaan op www.jurgentiekstra.nl.

Advertenties

Richard Powers – Generosity

januari 19, 2010 - Eén reactie

Zowel Jay McInerney in The New York Times als de criticus van The Observer denkt dat Richard Powers (foto) met zijn laatste roman Generosity: An Enhancement het pleit beslecht in het voordeel van de wetenschap. Net als in zijn vorige boeken zet hij – een gelauwerde Amerikaanse schrijver die werkt vanuit zijn exacte achtergrond – twee ogenschijnlijke uitersten tegen over elkaar: wetenschap en kunst, het materiële en het onzegbare, feit en fictie.

Tot nog toe balanceren de romans van Powers altijd in het veilige midden. In zijn vorige roman The Echo Maker voert hij de neuroloog Gerald Weber op die ervan overtuigd is, dat de wetenschap binnen afzienbare tijd het menselijk brein volledig in kaart zal brengen. ‘Hoe vormen de menselijke hersenen het bewustzijn? Bestaat er een vrije wil?’, schreef ik eerder in NRC Handelsblad. ‘Het brein, zo stelt Weber, is de bron van politiek, technologie, sociologie en kunst. Wanneer we de neuronen temmen, dan temmen we onszelf.’

Uiteindelijk is het echter overmoed. Twijfel slaat bij Weber toe als de kritiek op zijn populair-wetenschappelijke boeken, à la Oliver Sachs, toeneemt. Maar de geneticus Thomas Kurton die in de nieuwste roman van Powers opduikt, kent de menselijke zwakte van twijfel niet. Hij denkt dat geluk een kwestie van chemie is en onderwerpt een opmerkelijk gelukzalige vrouw aan een onderzoek om de genetische basis van haar gemoedstoestand bloot te leggen. The Observer schrijft over Powers: ‘in the arguments between chemistry and mystery he finds it hard not to side with the former.’ En McInerney vraagt zich af: ‘At times, one can’t help wondering if Powers’s sympathies, and his sensibilities, lie entirely in the scientific camp.’

Ik denk echter dat de Amerikaan ook dit keer blijft balanceren in dat eerdere midden. Het simpelste is om er het interview met hem in De Morgen op na te slaan. Powers vertelt dat hij een paar jaar terug zijn genoom heeft laten ‘sequencen’. Daaruit bleek dat hij drager is van het depressiegen. Meteen na dat resultaat bekeek hij zijn leven met andere ogen. Toen later weer getwijfeld werd aan de mogelijkheid een depressiegen aan te wijzen, voelde hij zich een stuk beter.

Maar als we bij Generosity blijven, is het van groot belang te letten op de vele metafictionele passages in de roman. Voortdurend wordt het verhaal door een onbekende verteller onderbroken, die het fictieve en conventionele van de roman benadrukt. De roman wordt zelfs deels geschreven aan de hand van een door Powers zelfbedacht hulpboek: ‘Breng leven in uw tekst’ van Frederick P. Harmon. Het enige wat McInerney hierover kan zeggen, is dat Powers ‘surely knows that a narrator professing incomplete knowledge of his own creations, or drawing arbitrary lines between fiction and nonfiction, risks violating his contract with his readers’.

McInerney beweert bovendien dat de verteller, die inbreekt op de roman, Richard Powers zelf is. Maar het kan hier niet anders dan gaan om hoofdpersoon Russell Stone, een 32-jarige gefrustreerde schrijver die in de ban van de gelukzalige vrouw is gekomen. Hij introduceert zichzelf, terugkijkend, op de eerste pagina als ‘mijn vervanger’. Net als de geneticus wil ook hij het mysterie van de vrouw vatten, maar ditmaal in  woorden. In zo’n metafictionele passage schrijft hij: ‘Ik weet wat voor soort verhaal ik hiervan zou maken als ik kon: het soort dat tussen twee naast elkaar staande woorden losbreekt.’ Later spreekt hij van het ‘onzegbare’.

Wetenschap en literatuur lijken in deze roman aan elkaar gelijk te worden gesteld. De zoektocht van de geneticus naar ‘geluk voor iedereen’, op basis van genetische manipulatie, heeft dezelfde trekken als het verlangen van een lezer en een schrijver naar een ‘happy end’. Het leven onttrekt zich aan een eenduidige uitleg. ‘Een plot is idioot’, bedenkt Russell Stone zich op een gegeven moment. ‘De ene na de andere gebeurtenis in een keten van duidelijke oorzaken; toenemende actie die aanstuurt op een onvermijdelijke climax en oplost in betekenis. Wie laat zich door zoiets in de luren leggen? De klassieke spanningsboog is een valse leugen, de ontkenning van een volwassen greep op de werkelijkheid.’

De Groene Amsterdammer

januari 13, 2010 - 3 Reacties

‘Het hele idee van een functioneringsgesprek of een beoordeling, dat is vijandig voor ze. Met sommige mensen is tientallen jaren niet gesproken. Het is bijna ondoenlijk om hier iets te veranderen.’ Adjunct-hoofdredacteur Koen Kleijn ventileert zijn ongenoegen in Dwars, de documentaire van filmmaker Marieke van der Winden over De Groene Amsterdammer, die deze maandag te zien is.

Het is een komisch, haast koddig portret geworden van het oeroude opinieblad, dat in een bouwvallig pand in Amsterdam huist. De documentaire is bovendien een uitstekende praktijkles voor elke beginnende organisatiedeskundige. Want het is prachtig te zien hoe de verschillende culturen op de redactie met elkaar in botsing komen, werknemers langs elkaar heen praten en rancune jarenlang welig kan tieren. Kleijn is inmiddels bij het blad vertrokken.

Het hoofd telemarketing noemt uitgever Paul Disco ‘één van de slechtste directeuren die de Groene ooit heeft gehad’. Later blijkt waarom: Disco dreigde in zijn drang naar professionalisering de afdeling telemarketing te outsourcen. Redactiesecretaris Trinette Koomen, die al veertig jaar bij het tijdschrift werkt en nog op dezelfde typemachine tikt, walgt van iedereen die de organisatie wenst te stroomlijnen. ‘Dan snap je De Groene niet.’ Ze ziet zichzelf als het geweten van het tijdschrift en kijkt met vertedering naar een portret van Martin van Amerongen, de vroegere hoofdredacteur: ‘We hadden gedacht hier samen oud te worden.’

Redacteuren Margreet Fogteloo en Joeri Boom stappen op Disco af om hem te dwingen openheid van zaken te geven over zijn plannen voor een reorganisatie. Met een halsstarrige redactie als die van De Groene moet je goed weten te communiceren, zeggen zij. Disco hoort zelf ondertussen van een bouwdeskundige dat alleen al het herstel van de fundering en de herinrichting van het souterrain van het redactiepand een paar ton gaat kosten. ‘Maar goed, dat geld hebben we dus niet.’

Huidig hoofdredacteur Xandra Schutte probeert er ondertussen het beste van te maken, binnen de beperkingen van een smal budget, een kleine redactie en een verschaalde werksfeer. Je zou haast medelijden met haar krijgen. Toch had ze het ruim zes jaar geleden als hoofdredacteur van Vrij Nederland een stuk zwaarder. Een opstand van de redactie hoeft ze dit keer vooralsnog niet te verwachten. In haar ogen is dit kinderspel.

De mens en de oorlog

januari 7, 2010 - Leave a Response

Een beetje een trauma heeft hij nog wel, voegde een 84-jarige Indië-veteraan me onlangs toe, toen ik hem sprak voor de krant. Eind 1946, 21 jaar oud, vertrok hij voor een jaar naar Nederlands-Indië om de bevolking overeind te helpen na het vertrek van de Japanners en tegelijk ook de gewelddadige vrijheidstrijders te bedwingen. Eén jaar werden er drie. En ruim zestig jaar later denkt hij nog met tranen in de ogen terug aan die periode in zijn leven, waarover hij tot voor kort zelfs zijn kinderen nooit had verteld.

Tijdens een patrouille op Java, op weg naar een kampong, liepen hij en een groep Nederlandse infanteristen in de val. Links van hem werd plotseling één van hen in het hoofd getroffen. Even later kwam ook een tweede om. De rest van de dag werd gevlucht, door de modder, door de suikerrietvelden, in de dekking van een dijk langs het irrigatiekanaal. Eén jongen raakte bewusteloos en moest in een hut achtergelaten worden. Zijn lichaam werd nooit teruggevonden. Waarschijnlijk is hij door Indonesiërs in het kanaal gegooid.

Ook het verhaal van Traudl Junge (foto) laat al even helder zien hoezeer de grote geschiedenis kan ingrijpen in het kleine leven van een mens. Precies in de periode dat de Indië-veteraan als twintiger lid was van de Nederlandse verbindingsdienst op Java, zat de iets oudere Duitse secretaresse in Russische krijgsgevangenschap. In het werkelijk fascinerende boek Tot het laatste uur vertelt zij over de paar jaar daarvoor dat zij in persoonlijke dienst was van Adolf Hitler.

Junge heeft een prachtig formele schrijfstijl. Maar wat het boek verbijsterend maakt, is haar in het licht van de geschiedenis absurde oog voor detail. Haar memoires krijgen er een haast kafkaëske allure door. Onvergetelijk is haar beschrijving van Hitlers omgang met zijn hond in de Wolfsschanze. ‘Hij verschool zich in zijn bunker en alleen ter wille van zijn hond Blondi maakte hij na het ontbijt een rondje over het veldje dat naast zijn bunker lag en speciaal voor dit doel was bestemd. Hier moest de herdershond haar kunststukjes vertonen en voedde haar baas haar op tot een van de leergierigste en behendigste honden die ik ooit heb gezien. Hitler was opgetogen als Blondi weer een paar centimeter hoger kon springen, of als ze een paar minuten langer op een smalle stang kon balanceren; hij beweerde altijd dat die hond zijn beste ontspanning was.’

Ook indrukwekkend: de passages over Hitlers monomane vegetarische eetgewoontes en zijn neiging om tijdens het diner onsmakelijke anekdotes te vertellen over slachthuizen en zo de eetlust te bederven van de vleeseters aan tafel. Het grootste deel van het boek schetst de Führer als een charmante baas, die naarmate de oorlog vordert weliswaar verward raakt in zijn grootheidswaanzin.

Misschien dat maar één scène een echt diabolisch aura geeft aan de man. In de werkkamer van Hitler is het namelijk opvallend koud. ‘Ik verliet de kamer met ijskoude voeten maar een verhit hoofd. Buiten vroeg ik de bediende waarom het zo koud was in de werkkamer. In het voorbijgaan had ik op de thermometer gezien dat het er maar elf graden was. De hoogste staatsman hoefde toch niet te bezuinigen op de stookkosten, en bovendien werd het hele complex toch door middel van centrale verwarming verwarmd?

‘Toen leerde ik dat Hitler zich bij deze temperatuur het beste voelde en het nooit een graad hoger liet stoken. Nu begreep ik ook waarom de heren van de generale staf en de generaals altijd met rode neuzen en blauwe handen van de kou van de soms urenlange stafbesprekingen terugkwamen, en vaak direct daarna in de mess of de bediendenkamer een verwarmende schnaps achteroversloegen. Generaal Jodl beweerde zelfs dat hij zich bij de besprekingen met Hitler chronische reumatiek op de hals had gehaald.’

Keuze: liefde en/of angst

december 2, 2009 - 2 Reacties

Er zijn meerdere scènes uit de apocalyptische tienerfilm Donnie Darko van regisseur Richard Kelly die zo nu en dan weer voor mijn geestesoog opdoemen. Eén daarvan is die waarin de docent van Donnie Darko, Mrs. Farmer, zijn klas uitlegt dat het leven ten diepste neerkomt op een keuze tussen leven en angst. ,,The lifeline is divided that way.” Waarna Darko uitbarst in: ,,You can’t just lump everything into these two categories and then just deny everything else!”

In zijn regisseurscommentaar vertelt Richard Kelly vervolgens dat sommige mensen niet geloven dat deze levensfilosofie daadwerkelijk op zijn school aan de leerlingen werd meegegeven. Het is natuurlijk van de gekke, zo’n simplistische benadering van het bestaan hier op aarde. Dat zou ik ook denken.

Toch betrap ik mijzelf er soms op dat ik vermoed dat de keuzes in het leven ook niet veel complexer zijn dan zoals mrs. Farmer het stelt. Kortgeleden had ik in motel Heerenveen een interview (pdf) met Ivo Valkenburg, sinds een paar jaar actief als spiritueel adviseur in de financiële wereld. Hij bleek een begeesterende man, al is zijn idioom getuige ook zijn boek Spirit in Finance niet de mijne, doorspekt als het is met de hoofdletter-woorden Spirit en Liefde.

Valkenburg vertelde dat hij op zijn 28e een burn-out heeft gehad. Op advies van zijn huisarts bezocht hij een psycholoog. Nadat hij drie afspraken achter de rug had, was hij onderweg naar een klant toen hij in de auto een huilbui kreeg. Hij zag zijn leven tot dusver voorbij trekken en realiseerde zich dat zijn bestaan op angst was gebaseerd. Terug bij zijn psycholoog kreeg hij de keus voorgelegd die mrs. Farmer zo treffend weet te formuleren. ,,Fear and love are the deepest of human emotions.”

Op basis van die gedachte wil Valkenburg een spirituele revolutie bewerkstelligen. Niet alleen in de financiële wereld, ook in de gezondheidszorg, het onderwijs, het leger, in het privé-leven. Er komt weinig ironie bij kijken. Maar die kan ik wel even missen.

Enjoy poverty

november 25, 2009 - Leave a Response

Tineke Ceelen moest huilen toen ze Enjoy Poverty zag, de documentaire van kunstenaar Renzo Martens die het IDFA vorig jaar opende. Dat zei ze kortgeleden in het omroepblad van de VARA naar aanleiding van de tv-première. De directrice van Stichting Vluchteling walgde van diens volstrekt onethische aanpak.

Martens brengt aanvankelijk op een conventionele manier de troosteloosheid in beeld die overheerst in zowel centraal als oostelijk Congo. Maar daarna maakt de film een haast diabolische draai als hij een paar Congolese bruiloftsfotografen voorrekent dat ze munt kunnen slaan uit hun armoede. Ze kunnen hun foto’s aan Westerse persbureaus verkopen als ze niet de vreugde, maar het drama om hen heen vastleggen: verkrachte vrouwen, uitgeteerde kindjes, slachtoffers van de strijd tussen rebellen, milities en leger.

Martens is niet bang zichzelf ongeliefd te maken. Kalm en tot in detail legt hij in een opvanghuis uit dat de twee met name de uitstekende ribben van een uitgemergeld jongetje in beeld moeten brengen; maximaal effect. Ook filmt hij zichzelf terwijl hij Neil Youngs A man needs a maid zingt, terwijl hij een paar Congolezen volgt die zijn kisten door een bos sjouwen. Als ze zijn aangekomen in een dorp blijken in de bagage neonletters te zitten die de woorden ‘Enjoy Poverty’ spellen. ’s Avonds laat hij de dorpelingen onder die lichtgevende spreuk een dieptragisch vreugdefeest vieren.

Sommige scènes in de documentaire zijn moeilijk om te bekijken. Weerzin krijgt de overhand, niet in de laatste plaats ten opzichte van Martens. Tegelijk is het lang geleden dat een documentaire over Afrika zo lang bij mij is blijven hangen. Anders dan Tineke Ceelen neig ik ertoe te applaudiseren voor het nietsontziende spel dat Martens met de kijker speelt.

Niet lang geleden, naar aanleiding van haar boek Hier en daar een crisis, sprak ik overigens nog met Tineke Ceelen. Het interview heeft Stichting Vluchteling op de eigen website geplaatst. Ze bleek een sympathieke en nuchtere vrouw, met een bewonderenswaardige gedrevenheid. Ik ben benieuwd of haar club weet te overleven gezien de grote reorganisatie die ministers Koenders op dit moment afdwingt in het veld van de ontwikkelings- en hulporganisaties.

Sonny Rollins

oktober 29, 2009 - Leave a Response

sonnyrollins

Trombonist Clifton Anderson stond ooit op het punt uit de muziek te stappen, zei hij in een interview: zelfs op z’n best werd hij door zijn bandleider Sonny Rollins van de sokken geblazen. Toch ontbrak Anderson niet toen Rollins kortgeleden in een uitverkochte grote zaal van De Oosterpoort stond. De 79-jarige tenorsaxofonist had zijn jongere tegenspeler uitgelegd dat hij met de dood op z’n hielen gewoon niet anders kon dan alles uit zijn spel halen.

In Groningen lagen de verhoudingen precies zo. Rollins was, anders dan Wayne Shorter eerder, alomtegenwoordig. Anderson viel op met geregeld toch wat fletse partijen en probeerde met name Rollins niet in de weg te lopen als deze gedurende lange solo’s stramme passen maakte over het podium. Gitarist Bobby Broom was niet veel minder flegmatiek, maar hij kon mooi op een kruk aan de zijkant van het plankier zitten. Pas in de paar verstilde composities vond het bandgeluid daadwerkelijk een eenheid.

In zijn interessante bespreking voor de Volkskrant schreef jazzrecensent Koen Schouten dat de begeleidingsband van Rollins geregeld kritiek krijgt. ‘Kabbelende slomerds zijn het, waar niets van uit gaat. De muziek zou zoveel spannender kunnen zijn met een pittiger begeleiding. Aan de andere kant: dankzij de egoloze musici kan Rollins volkomen op zijn eigen houtje los gaan.’

Met dat laatste heeft Schouten een punt. De kracht en helderheid van het spel van Rollins was indrukwekkend. Dat het aan longinhoud na al die jaren niet ontbreekt, valt vooral op door de opkomst van de bejaarde muzikant: de schuifelende stapjes, de duidelijk vastzittende heup, de lichte bochel, de grijze baard. Met de eerste noot blijkt dat heilige vuur nog altijd te branden. Maar een werkelijk hechte band boeit gedurende een heel concert meer dan een fenomenale, maar in zijn vindingrijkheid eenzame solist.

Het grootste nadeel was dat de set wel erg gezellig was. De avond begon nog met een nummertje heerlijk onstuimige hardbop. Maar prompt daarna werd een wel erg flauwe samba ingezet. Achteraf bleek het hier te gaan om Rollins prijscompositie St. Thomas. Foutje. Maar terwijl Rollins in Groningen niet veel verder kwam dan dat wat melige refreintje, speelde hij bijvoorbeeld in Stockholm in 1959 (!) een veel vrijere en enerverendere versie.

Volgens Schouten speelde Rollins weliswaar merendeels oud repertoire, maar nam hij in zijn voortdurende zoekende spel grote risico’s. Hmmm. Misschien. Toch resteert bij mij de sensatie dat de avond, hoewel vermakelijk, toch verbazingwekkend braaf was voor een Saxophone Colossus.

Into the great wide open

september 7, 2009 - Leave a Response

P1020400

Soms is het melodrama mijn tweede natuur. Dat bleek het afgelopen weekend opnieuw toen iets in mij opeens besloot: ik stop met popmuziek. Dat is een navrante conclusie wanneer je je op een popmuziekfestival bevindt, meer specifiek op de eerste editie van het uiterst sympathieke Into The Great Wide Open.

Natuurlijk had ik deze gedachte nog niet afgerond of ik hernam hem weer. Een leven zonder popmuziek kan ik me vooralsnog niet voorstellen. Maar het is een sensatie die ik vaker heb gehad, met name op het januari-festival Eurosonic, een ervaring die opgeroepen wordt door een overdaad aan middelmatige bands en artiesten.

Ogenschijnlijk ontbrak het op Into The Great Wide Open niet aan klinkende acts. Over The Veils, de band van Finn Andrews, hebben we genoeg mogen lezen. Maar muzikaal gezien is het mager wat de Nieuw-Zeelander laat horen. Zijn liedjes delen de exact zelfde dynamiek, opbouw, akkoordenprogressie, melodie. De bombastische partijen van zijn eerste gitarist zijn daarbij storend obligaat. Andrews moet het bijna volledig hebben van zijn pathos, dramatiek en breedgerande bravoure. Zonder trillende onderlip geen show.

Ongetwijfeld even sympathiek is Alela Diane, de folkzangeres die evenmin aan aandacht gebrek had. Toch doet hier hetzelfde opgeld. Haar songrepertoire is in wezen nog repetitiever dan bij The Veils het geval en de vocale trukendoos is snel leeg. Daarmee is de Amerikaanse ten diepste een behoorlijk langdradige act, ondanks haar creatieve drummer en fijntjes spelende eerste gitarist.

Wat zagen we nog meer? Uiterst verzorgde IJslandse popmuziek van singersongwriter Lay Low en vooral Emiliana Torrinni, maar al evenmin grensverschuivend, subversief, eigenzinnig, tegendraads of dan tenminste muzikaal fris van de lever.

De Utrechtse debutanten Most Unpleasant Men, die het festival openden, klonken nog te flegmatiek. The Wave Pictures waren met name karakteristiek door hun opvallend karakterloze muziek. De electroshow van Lykke Li was zo nu en dan meeslepend door het zowel sobere als grootse geluid, maar ook hier werden de festivalgangers als kleine kinderen afgescheept met simpele coupletjes en refreintjes. Bovendien stond een groot deel van haar optreden op band, wat moeilijk te verkroppen blijft.

Aan de bands en artiesten die wel bevielen, valt af te horen wat gemist wordt. Bijkans alle eigenzinnigheid op het hele festival kwam in campingkantine De Bolder voor rekening van het jonge Friese meisje Anne-Fleur Kan, die al met haar podiumnaam One Trick Pony getuigt van gezonde zelfspot. Ik zie Finn Andrews nog niet onder die paraplu optreden.

One Trick Pony is een bedriegelijke act door het schutterige voorkomen van de zangeres, haar hamerende keyboardspel en getokkel op haar oervals gestemde speelgoedgitaartje. Maar na verloop van tijd blijkt Kan onverwacht soulvol te kunnen zingen, blijken haar liedjes aangenaam wendbaar en aanstekelijk en haar songteksten opvallend scherp en humoristisch.

Vlak na haar speelde Anne Soldaat, oud-gitarist en liedjesschrijver van Daryll–Ann. Hij zorgde in zijn eentje voor de echt fijne en doorwrochte popmuziek van het festival. Natuurlijk, ook de liedjes die hij speelde – van zijn laatste plaat, van Daryll-Ann, van Loudon Wainwright III, van Randy Newman – zijn simpel, maar desondanks uitgekiend: met een perfect gevoel voor melodie, harmonie en opbouw. Soldaat stond dan wel op een onaanzienlijk podiumpje op camping Stortemelk, en niet op het majestueuze podium op het festivalterrein, maar musiceerde wel een paar klassen hoger dan Alela Diane, Emiliana Torrinni en al de anderen.

Het muzikale hoogtepunt kwam echter al op de eerste, verregende avond. Aangezien ik tot nog toe geen hiphop-adept ben, kan mijn enthousiasme over Kyteman’s Hiphop Orchestra niet veel oprechter zijn. Bovendien was scepsis eerder op zijn plaats geweest na een overdaad van in dit geval loftuitingen aan zijn adres.

Ook ik bezweek voor het vakmanschap, de muzikaliteit, de doordachte arrangementen, de rijkheid aan composities, de overvloed aan jong talent op het podium. Alsof het niks is. Het was prachtig om te zien hoe Colin Benders in zijn orkest contrasterende werelden natuurlijk bijeen brengt: studentikoze blazers, brave strijkers en branievolle rappers. Ook de percussie was heerlijk.

De lof voor Benders is meer dan terecht. Heel vaak gebeurt het niet dat profeten in eigen land geprezen worden. Voor hem gaat dat gelukkig wel op. IJslands exotisme en angelsaksische vooringenomenheid verbloemen nogal eens dat in eigen land soms op even hoog of zelfs hoger niveau gemusiceerd wordt.

EO

augustus 18, 2009 - 6 Reacties

arjanlock

Het rumoer rond EO-experiment Loopt een man over het water… ontstond tijdens mijn afwezigheid. Toch heb ik naar aanleiding van dit voortijdig gesneefde huwelijk tussen cabaret en evangelie nog een fiks artikel geschreven in het Friesch Dagblad.

Onze vrijgemaakt-gereformeerde tegenhanger, het Nederlands Dagblad, plaatste deze maandagmorgen een nieuwsbericht op basis van mijn stuk. Als om de felle twist binnen de achterban van de EO in het klein te illustreren ontstond al direct in de reacties een meningsverschil over de eventuele ‘aftakeling’ van de omroep.

Ik sprak uitgebreid met EO-directeur Arjan Lock (foto) en oud-voorzitter Arie van der Veer, die op zijn blog breed de ruimte neemt om als een officieuze ombudsman het omroepbeleid te verdedigen en de klachten van leden te overwegen.

De presentator van dienst, Arie Boomsma, heb ik niet eens meer geprobeerd te bellen. Officieel doet hij geen mededelingen. Daarbij leek het me interessanter de discussie in een bredere context te plaatsen. Dat kon goed met de eerlijk sprekende Lock en Van der Veer. Die laatste, die vorig jaar na achttien jaar dienst terugtrad als voorzitter, zei na de incidenten rond Knevel en de halfnaakte Boomsma (wiens vader in het bestuur zit van het Friesch Dagblad) te hebben gehoopt en gebeden dat het een tijdje rustig mocht blijven. Het mocht niet zo zijn. ‘Het lijkt wel alsof iedereen een omroep wil naar zijn beeld en gelijkenis.’

Het Reformatorisch Dagblad ging logischerwijze het verst in de verkettering van de EO. Na Boomsma’s publicitaire ronde langs tv-programma’s als Shownieuws en RTL Boulevard kon ‘niet anders geconcludeerd worden dan dat de boze geweldig terrein heeft gewonnen’, las het hoofdredactioneel commentaar.

De krant ging bovendien lelijk onderuit in al zijn gretigheid toen het Boomsma aanviel op uitspraken die hij had gedaan in het interviewprogramma 30 Hoog. De redacteur had niet door dat het een herhaling betrof van een jaar eerder. Boomsma had zich al uitgeput in excuses. Nu mocht de krant ze zelf maken.

Heroïsche journalistiek

juni 15, 2009 - Eén reactie

KOREA-NORTH/ARREST

Kijk, dat is nog eens journalistieke heroïek. Vorige week werden de Koreaans-Amerikaanse verslaggevers Euna Lee (links) en Laura Ling in Noord-Korea veroordeeld tot twaalf jaar dwangarbeid. Tijdens het filmen voor een reportage over mensensmokkel, in opdracht van Al Gore’s zender Current TV, zouden beiden illegaal de grens tussen China en het communistische land zijn overgestoken, en dat met ‘kwade’ bedoelingen. Kort daarvoor werd Roxana Saberi, een Iraans-Amerikaans-Japanse journalist,  door de Iraanse rechter tot acht jaar cel veroordeeld op beschuldiging van spionage. Zij werd na internationale druk vrijgelaten, en werkt nu aan een boek erover.

Een paar maand geleden sprak ik met Jeroen Akkermans naar aanleiding van zijn boek Er zijn grenzen. De dood van Stan Storimans, de cameraman die in augustus vorig jaar door een Russische clusterbom werd getroffen op het grote plein in Gori, kon niet onbesproken worden gelaten. Akkermans stond precies aan de andere kant van de taxi waarmee de twee naar de Georgische stad waren gereisd. Hij kreeg alleen een granaatscherf in zijn been. En als hij was vergeten wat hem overkomen was, kon hij de foto’s van hem en Storimans op de voorpagina van de Telegraaf bekijken.

Ik vond het overigens opvallend dat Akkermans aan het begin van zijn boek beschrijft hoe hij in 1993 in een bijna even hachelijke situatie verzeild raakte. Toen vloog hij, nog zelf de camera hanterend, met Georgische militairen mee naar Sukhumi, de hoofdstad van de al even opstandige provincie Abchazië. Daar kwam hij bijna vast te zitten op het vliegveld, dat elk moment door Abchazische milities ingenomen kon worden.

oostkaap1_tcm44-185942

In januari sprak ik met Bram Vermeulen (foto), tot voor kort correspondent vanuit Johannesburg voor NRC Handelsblad. Hij was de Journalist van het Jaar geworden, met name vanwege zijn verslaggeving vorig jaar over de verkiezing in Zimbabwe. Terwijl de meeste journalisten het land ten tijde van de tweede ronde waren ontvlucht, bleef Vermeulen rustig de getuigenissen neerpennen van neergeknuppelde MDC-aanhangers. Hij moest alleen even goed uitkijken voor de geheime politie.

Freelance journalist Linda Polman leidde met haar boek De crisiskaravaan kortgeleden nog de discussie over het magere resultaat van de omvangrijke humanitaire hulp in Afrika. Voor haar voorgaande boek ’k Zag twee beren bestudeerde ze op dezelfde wijze de effectiviteit van VN-vredesmissies. Toen ik haar interviewde, vertelde ze me over de massaslachting, aangericht door wraakzuchtige Tutsi’s, die ze in die tijd mee heeft gemaakt in Congo. Ze zag het, ze rook het, ze schreef het op, maar kan na al die jaren nog steeds niet echt geloven dat ze het daadwerkelijk heeft beleefd.

Haar vriendin Tjitske Lingsma, eveneens freelance journalist, won onlangs de Dick Scherpenzeelprijs voor Het verdriet van Ambon. Mijn interview met haar staat deze zaterdag in het Friesch Dagblad. In haar vorig jaar verschenen boek schrijft ze over de burgeroorlog op de Molukken in 1999 en 2000. Kort voor die tijd deed ze verslag van het referendum op Oost-Timor, het eiland dat dankzij de VN de kans kreeg te kiezen voor onafhankelijkheid. Na jaren van Indonesische bezetting. Daar werd zij met geweer en handgranaat bedreigd door milities en in haar ribben geschopt. Haar illusie dat ze als buitenstaander verslag deed van het conflict, en haar niks kon overkomen, ging daarmee aan diggelen.

Hoeveel heb je over voor de journalistiek? Opmerkelijk genoeg hoor ik alleen nuchter vertelde verhalen en de nadrukkelijke wens snel weer op het vliegtuig te stappen. Op weg naar de volgende brandhaard. Pas als een bevriende cameraman omkomt, beginnen de twijfels. Maar dan nog wordt de journalistiek geen gedag gezegd.