Keuze: liefde en/of angst

december 2, 2009 - 2 Responses

Er zijn meerdere scènes uit de apocalyptische tienerfilm Donnie Darko van regisseur Richard Kelly die zo nu en dan weer voor mijn geestesoog opdoemen. Eén daarvan is die waarin de docent van Donnie Darko, Mrs. Farmer, zijn klas uitlegt dat het leven ten diepste neerkomt op een keuze tussen leven en angst. ,,The lifeline is divided that way.” Waarna Darko uitbarst in: ,,You can’t just lump everything into these two categories and then just deny everything else!”

In zijn regisseurscommentaar vertelt Richard Kelly vervolgens dat sommige mensen niet geloven dat deze levensfilosofie daadwerkelijk op zijn school aan de leerlingen werd meegegeven. Het is natuurlijk van de gekke, zo’n simplistische benadering van het bestaan hier op aarde. Dat zou ik ook denken.

Toch betrap ik mijzelf er soms op dat ik vermoed dat de keuzes in het leven ook niet veel complexer zijn dan zoals mrs. Farmer het stelt. Kortgeleden had ik in motel Heerenveen een interview (pdf) met Ivo Valkenburg, sinds een paar jaar actief als spiritueel adviseur in de financiële wereld. Hij bleek een begeesterende man, al is zijn idioom getuige ook zijn boek Spirit in Finance niet de mijne, doorspekt als het is met de hoofdletter-woorden Spirit en Liefde.

Valkenburg vertelde dat hij op zijn 28e een burn-out heeft gehad. Op advies van zijn huisarts bezocht hij een psycholoog. Nadat hij drie afspraken achter de rug had, was hij onderweg naar een klant toen hij in de auto een huilbui kreeg. Hij zag zijn leven tot dusver voorbij trekken en realiseerde zich dat zijn bestaan op angst was gebaseerd. Terug bij zijn psycholoog kreeg hij de keus voorgelegd die mrs. Farmer zo treffend weet te formuleren. ,,Fear and love are the deepest of human emotions.”

Op basis van die gedachte wil Valkenburg een spirituele revolutie bewerkstelligen. Niet alleen in de financiële wereld, ook in de gezondheidszorg, het onderwijs, het leger, in het privé-leven. Er komt weinig ironie bij kijken. Maar die kan ik wel even missen.

Enjoy poverty

november 25, 2009 - Leave a Response

Tineke Ceelen moest huilen toen ze Enjoy Poverty zag, de documentaire van kunstenaar Renzo Martens die het IDFA vorig jaar opende. Dat zei ze kortgeleden in het omroepblad van de VARA naar aanleiding van de tv-première. De directrice van Stichting Vluchteling walgde van diens volstrekt onethische aanpak.

Martens brengt aanvankelijk op een conventionele manier de troosteloosheid in beeld die overheerst in zowel centraal als oostelijk Congo. Maar daarna maakt de film een haast diabolische draai als hij een paar Congolese bruiloftsfotografen voorrekent dat ze munt kunnen slaan uit hun armoede. Ze kunnen hun foto’s aan Westerse persbureaus verkopen als ze niet de vreugde, maar het drama om hen heen vastleggen: verkrachte vrouwen, uitgeteerde kindjes, slachtoffers van de strijd tussen rebellen, milities en leger.

Martens is niet bang zichzelf ongeliefd te maken. Kalm en tot in detail legt hij in een opvanghuis uit dat de twee met name de uitstekende ribben van een uitgemergeld jongetje in beeld moeten brengen; maximaal effect. Ook filmt hij zichzelf terwijl hij Neil Youngs A man needs a maid zingt, terwijl hij een paar Congolezen volgt die zijn kisten door een bos sjouwen. Als ze zijn aangekomen in een dorp blijken in de bagage neonletters te zitten die de woorden ‘Enjoy Poverty’ spellen. ’s Avonds laat hij de dorpelingen onder die lichtgevende spreuk een dieptragisch vreugdefeest vieren.

Sommige scènes in de documentaire zijn moeilijk om te bekijken. Weerzin krijgt de overhand, niet in de laatste plaats ten opzichte van Martens. Tegelijk is het lang geleden dat een documentaire over Afrika zo lang bij mij is blijven hangen. Anders dan Tineke Ceelen neig ik ertoe te applaudiseren voor het nietsontziende spel dat Martens met de kijker speelt.

Niet lang geleden, naar aanleiding van haar boek Hier en daar een crisis, sprak ik overigens nog met Tineke Ceelen. Het interview heeft Stichting Vluchteling op de eigen website geplaatst. Ze bleek een sympathieke en nuchtere vrouw, met een bewonderenswaardige gedrevenheid. Ik ben benieuwd of haar club weet te overleven gezien de grote reorganisatie die ministers Koenders op dit moment afdwingt in het veld van de ontwikkelings- en hulporganisaties.

Sonny Rollins

oktober 29, 2009 - Leave a Response

sonnyrollins

Trombonist Clifton Anderson stond ooit op het punt uit de muziek te stappen, zei hij in een interview: zelfs op z’n best werd hij door zijn bandleider Sonny Rollins van de sokken geblazen. Toch ontbrak Anderson niet toen Rollins kortgeleden in een uitverkochte grote zaal van De Oosterpoort stond. De 79-jarige tenorsaxofonist had zijn jongere tegenspeler uitgelegd dat hij met de dood op z’n hielen gewoon niet anders kon dan alles uit zijn spel halen.

In Groningen lagen de verhoudingen precies zo. Rollins was, anders dan Wayne Shorter eerder, alomtegenwoordig. Anderson viel op met geregeld toch wat fletse partijen en probeerde met name Rollins niet in de weg te lopen als deze gedurende lange solo’s stramme passen maakte over het podium. Gitarist Bobby Broom was niet veel minder flegmatiek, maar hij kon mooi op een kruk aan de zijkant van het plankier zitten. Pas in de paar verstilde composities vond het bandgeluid daadwerkelijk een eenheid.

In zijn interessante bespreking voor de Volkskrant schreef jazzrecensent Koen Schouten dat de begeleidingsband van Rollins geregeld kritiek krijgt. ‘Kabbelende slomerds zijn het, waar niets van uit gaat. De muziek zou zoveel spannender kunnen zijn met een pittiger begeleiding. Aan de andere kant: dankzij de egoloze musici kan Rollins volkomen op zijn eigen houtje los gaan.’

Met dat laatste heeft Schouten een punt. De kracht en helderheid van het spel van Rollins was indrukwekkend. Dat het aan longinhoud na al die jaren niet ontbreekt, valt vooral op door de opkomst van de bejaarde muzikant: de schuifelende stapjes, de duidelijk vastzittende heup, de lichte bochel, de grijze baard. Met de eerste noot blijkt dat heilige vuur nog altijd te branden. Maar een werkelijk hechte band boeit gedurende een heel concert meer dan een fenomenale, maar in zijn vindingrijkheid eenzame solist.

Het grootste nadeel was dat de set wel erg gezellig was. De avond begon nog met een nummertje heerlijk onstuimige hardbop. Maar prompt daarna werd een wel erg flauwe samba ingezet. Achteraf bleek het hier te gaan om Rollins prijscompositie St. Thomas. Foutje. Maar terwijl Rollins in Groningen niet veel verder kwam dan dat wat melige refreintje, speelde hij bijvoorbeeld in Stockholm in 1959 (!) een veel vrijere en enerverendere versie.

Volgens Schouten speelde Rollins weliswaar merendeels oud repertoire, maar nam hij in zijn voortdurende zoekende spel grote risico’s. Hmmm. Misschien. Toch resteert bij mij de sensatie dat de avond, hoewel vermakelijk, toch verbazingwekkend braaf was voor een Saxophone Colossus.

Into the great wide open

september 7, 2009 - Leave a Response

P1020400

Soms is het melodrama mijn tweede natuur. Dat bleek het afgelopen weekend opnieuw toen iets in mij opeens besloot: ik stop met popmuziek. Dat is een navrante conclusie wanneer je je op een popmuziekfestival bevindt, meer specifiek op de eerste editie van het uiterst sympathieke Into The Great Wide Open.

Natuurlijk had ik deze gedachte nog niet afgerond of ik hernam hem weer. Een leven zonder popmuziek kan ik me vooralsnog niet voorstellen. Maar het is een sensatie die ik vaker heb gehad, met name op het januari-festival Eurosonic, een ervaring die opgeroepen wordt door een overdaad aan middelmatige bands en artiesten.

Ogenschijnlijk ontbrak het op Into The Great Wide Open niet aan klinkende acts. Over The Veils, de band van Finn Andrews, hebben we genoeg mogen lezen. Maar muzikaal gezien is het mager wat de Nieuw-Zeelander laat horen. Zijn liedjes delen de exact zelfde dynamiek, opbouw, akkoordenprogressie, melodie. De bombastische partijen van zijn eerste gitarist zijn daarbij storend obligaat. Andrews moet het bijna volledig hebben van zijn pathos, dramatiek en breedgerande bravoure. Zonder trillende onderlip geen show.

Ongetwijfeld even sympathiek is Alela Diane, de folkzangeres die evenmin aan aandacht gebrek had. Toch doet hier hetzelfde opgeld. Haar songrepertoire is in wezen nog repetitiever dan bij The Veils het geval en de vocale trukendoos is snel leeg. Daarmee is de Amerikaanse ten diepste een behoorlijk langdradige act, ondanks haar creatieve drummer en fijntjes spelende eerste gitarist.

Wat zagen we nog meer? Uiterst verzorgde IJslandse popmuziek van singersongwriter Lay Low en vooral Emiliana Torrinni, maar al evenmin grensverschuivend, subversief, eigenzinnig, tegendraads of dan tenminste muzikaal fris van de lever.

De Utrechtse debutanten Most Unpleasant Men, die het festival openden, klonken nog te flegmatiek. The Wave Pictures waren met name karakteristiek door hun opvallend karakterloze muziek. De electroshow van Lykke Li was zo nu en dan meeslepend door het zowel sobere als grootse geluid, maar ook hier werden de festivalgangers als kleine kinderen afgescheept met simpele coupletjes en refreintjes. Bovendien stond een groot deel van haar optreden op band, wat moeilijk te verkroppen blijft.

Aan de bands en artiesten die wel bevielen, valt af te horen wat gemist wordt. Bijkans alle eigenzinnigheid op het hele festival kwam in campingkantine De Bolder voor rekening van het jonge Friese meisje Anne-Fleur Kan, die al met haar podiumnaam One Trick Pony getuigt van gezonde zelfspot. Ik zie Finn Andrews nog niet onder die paraplu optreden.

One Trick Pony is een bedriegelijke act door het schutterige voorkomen van de zangeres, haar hamerende keyboardspel en getokkel op haar oervals gestemde speelgoedgitaartje. Maar na verloop van tijd blijkt Kan onverwacht soulvol te kunnen zingen, blijken haar liedjes aangenaam wendbaar en aanstekelijk en haar songteksten opvallend scherp en humoristisch.

Vlak na haar speelde Anne Soldaat, oud-gitarist en liedjesschrijver van Daryll–Ann. Hij zorgde in zijn eentje voor de echt fijne en doorwrochte popmuziek van het festival. Natuurlijk, ook de liedjes die hij speelde – van zijn laatste plaat, van Daryll-Ann, van Loudon Wainwright III, van Randy Newman – zijn simpel, maar desondanks uitgekiend: met een perfect gevoel voor melodie, harmonie en opbouw. Soldaat stond dan wel op een onaanzienlijk podiumpje op camping Stortemelk, en niet op het majestueuze podium op het festivalterrein, maar musiceerde wel een paar klassen hoger dan Alela Diane, Emiliana Torrinni en al de anderen.

Het muzikale hoogtepunt kwam echter al op de eerste, verregende avond. Aangezien ik tot nog toe geen hiphop-adept ben, kan mijn enthousiasme over Kyteman’s Hiphop Orchestra niet veel oprechter zijn. Bovendien was scepsis eerder op zijn plaats geweest na een overdaad van in dit geval loftuitingen aan zijn adres.

Ook ik bezweek voor het vakmanschap, de muzikaliteit, de doordachte arrangementen, de rijkheid aan composities, de overvloed aan jong talent op het podium. Alsof het niks is. Het was prachtig om te zien hoe Colin Benders in zijn orkest contrasterende werelden natuurlijk bijeen brengt: studentikoze blazers, brave strijkers en branievolle rappers. Ook de percussie was heerlijk.

De lof voor Benders is meer dan terecht. Heel vaak gebeurt het niet dat profeten in eigen land geprezen worden. Voor hem gaat dat gelukkig wel op. IJslands exotisme en angelsaksische vooringenomenheid verbloemen nogal eens dat in eigen land soms op even hoog of zelfs hoger niveau gemusiceerd wordt.

EO

augustus 18, 2009 - 6 Responses

arjanlock

Het rumoer rond EO-experiment Loopt een man over het water… ontstond tijdens mijn afwezigheid. Toch heb ik naar aanleiding van dit voortijdig gesneefde huwelijk tussen cabaret en evangelie nog een fiks artikel geschreven in het Friesch Dagblad.

Onze vrijgemaakt-gereformeerde tegenhanger, het Nederlands Dagblad, plaatste deze maandagmorgen een nieuwsbericht op basis van mijn stuk. Als om de felle twist binnen de achterban van de EO in het klein te illustreren ontstond al direct in de reacties een meningsverschil over de eventuele ‘aftakeling’ van de omroep.

Ik sprak uitgebreid met EO-directeur Arjan Lock (foto) en oud-voorzitter Arie van der Veer, die op zijn blog breed de ruimte neemt om als een officieuze ombudsman het omroepbeleid te verdedigen en de klachten van leden te overwegen.

De presentator van dienst, Arie Boomsma, heb ik niet eens meer geprobeerd te bellen. Officieel doet hij geen mededelingen. Daarbij leek het me interessanter de discussie in een bredere context te plaatsen. Dat kon goed met de eerlijk sprekende Lock en Van der Veer. Die laatste, die vorig jaar na achttien jaar dienst terugtrad als voorzitter, zei na de incidenten rond Knevel en de halfnaakte Boomsma (wiens vader in het bestuur zit van het Friesch Dagblad) te hebben gehoopt en gebeden dat het een tijdje rustig mocht blijven. Het mocht niet zo zijn. ‘Het lijkt wel alsof iedereen een omroep wil naar zijn beeld en gelijkenis.’

Het Reformatorisch Dagblad ging logischerwijze het verst in de verkettering van de EO. Na Boomsma’s publicitaire ronde langs tv-programma’s als Shownieuws en RTL Boulevard kon ‘niet anders geconcludeerd worden dan dat de boze geweldig terrein heeft gewonnen’, las het hoofdredactioneel commentaar.

De krant ging bovendien lelijk onderuit in al zijn gretigheid toen het Boomsma aanviel op uitspraken die hij had gedaan in het interviewprogramma 30 Hoog. De redacteur had niet door dat het een herhaling betrof van een jaar eerder. Boomsma had zich al uitgeput in excuses. Nu mocht de krant ze zelf maken.

Heroïsche journalistiek

juni 15, 2009 - One Response

KOREA-NORTH/ARREST

Kijk, dat is nog eens journalistieke heroïek. Vorige week werden de Koreaans-Amerikaanse verslaggevers Euna Lee (links) en Laura Ling in Noord-Korea veroordeeld tot twaalf jaar dwangarbeid. Tijdens het filmen voor een reportage over mensensmokkel, in opdracht van Al Gore’s zender Current TV, zouden beiden illegaal de grens tussen China en het communistische land zijn overgestoken, en dat met ‘kwade’ bedoelingen. Kort daarvoor werd Roxana Saberi, een Iraans-Amerikaans-Japanse journalist,  door de Iraanse rechter tot acht jaar cel veroordeeld op beschuldiging van spionage. Zij werd na internationale druk vrijgelaten, en werkt nu aan een boek erover.

Een paar maand geleden sprak ik met Jeroen Akkermans naar aanleiding van zijn boek Er zijn grenzen. De dood van Stan Storimans, de cameraman die in augustus vorig jaar door een Russische clusterbom werd getroffen op het grote plein in Gori, kon niet onbesproken worden gelaten. Akkermans stond precies aan de andere kant van de taxi waarmee de twee naar de Georgische stad waren gereisd. Hij kreeg alleen een granaatscherf in zijn been. En als hij was vergeten wat hem overkomen was, kon hij de foto’s van hem en Storimans op de voorpagina van de Telegraaf bekijken.

Ik vond het overigens opvallend dat Akkermans aan het begin van zijn boek beschrijft hoe hij in 1993 in een bijna even hachelijke situatie verzeild raakte. Toen vloog hij, nog zelf de camera hanterend, met Georgische militairen mee naar Sukhumi, de hoofdstad van de al even opstandige provincie Abchazië. Daar kwam hij bijna vast te zitten op het vliegveld, dat elk moment door Abchazische milities ingenomen kon worden.

oostkaap1_tcm44-185942

In januari sprak ik met Bram Vermeulen (foto), tot voor kort correspondent vanuit Johannesburg voor NRC Handelsblad. Hij was de Journalist van het Jaar geworden, met name vanwege zijn verslaggeving vorig jaar over de verkiezing in Zimbabwe. Terwijl de meeste journalisten het land ten tijde van de tweede ronde waren ontvlucht, bleef Vermeulen rustig de getuigenissen neerpennen van neergeknuppelde MDC-aanhangers. Hij moest alleen even goed uitkijken voor de geheime politie.

Freelance journalist Linda Polman leidde met haar boek De crisiskaravaan kortgeleden nog de discussie over het magere resultaat van de omvangrijke humanitaire hulp in Afrika. Voor haar voorgaande boek ’k Zag twee beren bestudeerde ze op dezelfde wijze de effectiviteit van VN-vredesmissies. Toen ik haar interviewde, vertelde ze me over de massaslachting, aangericht door wraakzuchtige Tutsi’s, die ze in die tijd mee heeft gemaakt in Congo. Ze zag het, ze rook het, ze schreef het op, maar kan na al die jaren nog steeds niet echt geloven dat ze het daadwerkelijk heeft beleefd.

Haar vriendin Tjitske Lingsma, eveneens freelance journalist, won onlangs de Dick Scherpenzeelprijs voor Het verdriet van Ambon. Mijn interview met haar staat deze zaterdag in het Friesch Dagblad. In haar vorig jaar verschenen boek schrijft ze over de burgeroorlog op de Molukken in 1999 en 2000. Kort voor die tijd deed ze verslag van het referendum op Oost-Timor, het eiland dat dankzij de VN de kans kreeg te kiezen voor onafhankelijkheid. Na jaren van Indonesische bezetting. Daar werd zij met geweer en handgranaat bedreigd door milities en in haar ribben geschopt. Haar illusie dat ze als buitenstaander verslag deed van het conflict, en haar niks kon overkomen, ging daarmee aan diggelen.

Hoeveel heb je over voor de journalistiek? Opmerkelijk genoeg hoor ik alleen nuchter vertelde verhalen en de nadrukkelijke wens snel weer op het vliegtuig te stappen. Op weg naar de volgende brandhaard. Pas als een bevriende cameraman omkomt, beginnen de twijfels. Maar dan nog wordt de journalistiek geen gedag gezegd.

Heelhuids & halsoverkop

mei 11, 2009 - 6 Responses

nnt

Ik heb het nooit gecontroleerd, maar het kan niet anders dan een standaardzin zijn in de vacature elke keer dat het NNT een nieuwe artistieke leider zoekt. Vereist: een voorliefde voor metafictionele passages. Toneelstukken zonder een scène die het fictieve karakter van het geheel benadrukt komen het theater niet in.  

Dat quasi-postmoderne of misschien wel Brechtiaanse gedoe zagen we in het eerste stuk, Medea, van nieuw artistiek leider Ola Mafaalani. Voor zover we nog niet wisten wat de mythe over de feeks Medea behelst, werd van te voren fijntjes meegedeeld dat zij verderop in de avond haar beide kinderen zal vermoorden. Maar wees niet bang; het zijn toneelkinderen. Elke avond zijn er andere.

Eind vorige week was ik bij de laatste avond van Heelhuids & halsoverkop – een countrymusical, het stuk dat het nieuwe seizoen in de Machinefabriek heeft geopend. In deze thuisbasis van het NNT heeft Mafaalani’s partner Ko van den Bosch de artistieke leiding. Doel is werken met jong talent en nieuwe Nederlandse teksten.

Ook in dit stuk vertelden de personages uitgebreid wat ze later op de avond gingen doen. En op den duur stelde één van hen zichzelf zelfs voor als scriptdokter. Steeds ontstegen deze vervreemdingseffecten de gimmick niet. Steeds ook was er ook totaal geen reden toe. 

Ik kan me evenmin herinneren dat de vorige artistiek leider Koos Terpstra – óók zo’n fan – wél een motivatie had voor dit soort stapjes uit het toneelstuk. Om die reden ontstijgt dit soort halfgare metafictie de flauwiteit meestal niet.

Hetzelfde zag je in Ober, Alex van Warmerdams voorlaatste speelfilm. Het door hemzelf gespeelde hoofdpersonage beklaagt zich bij de scriptschrijver over het noodlot dat over hem uitgestort wordt. Heel even komisch, maar uiteindelijk ideeënarmoedige gekunsteldheid. Interessantdoenerij.

De Vlaamse auteur Louis Paul Boon deed in zijn grote roman De Kapellekensbaan (uit 1953) weliswaar exact hetzelfde. De personages staan geregeld bij schrijver boontje voor de deur, omdat ze misnoegd zijn over wat hij schrijft. Het voert zelfs zover dat ze op een gegeven moment andere namen krijgen, omdat een onverlaat in het manuscript heeft zitten krassen.

Maar hier past de metafictie in de nadrukkelijke constructie van deze fragmentarische en ontregelende roman, die Boon zelf eens beschreef ‘gelijk een kuip mortel die van een stelling valt’. Hier is het vernieuwing. Hier is het kunst.

Verder een erg vermakelijke voorstelling, dat Heelhuids & Halsoverkop. Daar niet van.

India

mei 10, 2009 - 2 Responses

slum-dog-millionaire

‘I gather you yellow-skinned men, despite your triumph in sewage, drinking water, and Olympic gold medals, still don’t have democracy. Some politician on the radio was saying that that’s why we Indians are going to beat you: we may not have sewage, drinking water, and Olympic gold medals, but we do have democracy.

If I were making a country, I’d get the sewage pipes first, then the democracy, then I’d go about giving pamphlets and statues of Ghandi to other people, but what do I know? I’m just a murderer!’

(The white tiger, Aravind Adiga, 2008)

Een kleine twee jaar geleden werd herdacht dat India zestig jaar eerder onafhankelijk werd van Groot-Brittannië. Verschillende opiniebladen (Amerikaanse) benadrukten met name dat je veel van het land kan zeggen, maar dat het hier wel om ’s werelds grootste democratie gaat. Een sneer naar China.

Groot inderdaad. 1,1 miljard mensen. Het is ongelooflijk. Komende zaterdag eindigen de parlementsverkiezingen. Ze duurden vijf week. Maar een democratie. Nee. Balram, hoofdpersoon en verteller van het Booker Prize winnende The White Tiger van debutant Aravind Adiga, reserveert hier één van zijn weinige Engelse zinnen voor: What a fucking joke. In naam is India een democratie, maar als we Balram mogen geloven is corruptie het heilige woord. Stemmen worden gekocht. Zelf stapt hij nooit een stemlokaal binnen, want onder zijn naam wordt al voor hem gestemd.

Zelfs al wordt een speelfilm over India in de markt gezet als feel-good movie of the decade, dan nog wordt een vernietigend beeld van het land neergezet. Ook in het Oscarwinnende Slumdog Millionaire (foto) ontbreken de schrijnende armoede in de sloppenwijken (van Mumbai), het kastenysteem en de gewelddadige godsdienstige twisten niet. Het jongetje en het meisje vinden elkaar weliswaar. En dan mag er gedanst worden. Maar ook Danny Boyle’s speelfilm is geen reclamefolder voor India.

Morgen schrijf ik mijn bespreking voor het NRC van The weight of heaven, de recentste roman van de Amerikaans-Indiase schrijfster Thrity Umrigar. Ook hier, evenals in haar vorige boek The space between us, weinig florissante praatjes. Umrigar gebruikt India als de tragische achtergrond voor haar melodrama’s, zoals dit keer rond de huwelijksproblemen van een Amerikaanse man en vrouw, die naar India zijn vertrokken na de dood van hun zevenjarig zoontje. Helaas. India biedt geen soelaas. Ook temidden van de hindoestaanse drukte veel pijnlijke stiltes, hoogoplopende ruzies en ongemakkelijke geheimen.

Eén ding is in elk geval duidelijk. India levert niet altijd hoogstaande kunst op. Van Slumdog millionaire vond ik de eerste helft heel goed (zoals dit deel qua montage en cameravoering deed denken aan Cidade de Deus). Daarna deed de film zich naar mijn smaak erg te kort door zo vast te houden aan de flauwe formule.

Thrity Umrigar op haar beurt betoont zich een slechte dialoogschrijver. Houterig. Onnatuurlijk. En überhaupt moet alles honderd keer uitgelegd. Zoals altijd geldt de wijsheid: suggestie is alles. Daar heeft ze dan weer niet van gehoord. Bovendien verzandt Umrigar, zelfs in India, al snel in huis-tuin-en-keuken-drama.

Alleen The White Tiger is echt geslaagd. Een humoristische verteller, een verrassend plot en een steeds zwarter en nietsontziender verhaal, waar je zonder er erg in te hebben in wordt meegenomen. Ik kan me bovendien niet aan de indruk onttrekken dat ik India met de roman van Aravind Adiga nog het beste leer kennen.

Birdwatchers

april 18, 2009 - Leave a Response

birdwatchers3

Ja, met de eindcredits valt het engagement je rauw op het dak. De Europeanen hebben de inheemse bevolking van Brazilië de afgelopen vijfhonderd jaar weggejaagd en uitgemoord. Gelieve nu voor het goede doel te doneren bij het verlaten van de zaal.

Maar de twee uur voordat plotseling zo hard wordt gerammeld met de collectebus is Birdwatchers niks minder dan een hoogstandje, zowel waar het cinematografie als scenario aangaat. De speelfilm van de Chileense regisseur Marco Bechis vertelt van een familie Guarani-indianen die na een tweetal zelfmoorden binnen de gelederen uit het haar toegewezen reservaat vertrekt om zich opnieuw te vestigen daar waar de voorouders ooit woonden.

Natuurlijk is dit precies op de akker van een rijke blanke Braziliaanse boer, die als een wilde kan gaan zwaaien met paperassen die bewijzen dat hij de wettige eigenaar is van dit stukje grond, maar daar niks mee gedaan krijgt bij die stoïcijns kijkende indianen. 

Hij kan zich met een melodramatisch gebaar naar de grond bukken, om een handvol rode aarde op te pakken en te benadrukken dat zijn vader zich hier zestig jaar geleden heeft gevestigd, hijzelf hier is geboren en ook zijn dochter op deze plek is grootgebracht, maar dan gooit één van de indianen de discussie eenvoudig in het slot: ook hij buigt zich naar de grond, pakt een handvol aarde, maar stopt die in zijn mond en slikt haar door. Case closed.

Maar wees niet bang. Hier geen sentimentele bewieroking van de inheemse geest. Want wat zijn die indianen vervelend. Ze slaan voortdurend vuile taal uit, lurken graag aan de fles en slachten een koe uit de veestapel van een ander.

Toch heeft Marco Bechis een boodschap. Des te opmerkelijker is het met hoeveel zorg en nuance hij zijn verhaal vertelt, hoe uitgekiend elke afzonderlijke kadrering en de gehele montage is en hoe effectief de muziek wordt ingezet.

Prachtig is de hoofdrol van Abrísio da Silva Pedro als Osvaldo, de jongen die met zijn waarzeggende dromen gedoemd is medicijnman te worden. Daarom neemt hij plichtsgetrouw zijn kalebas overal mee naar toe, waarmee hij al schuddend de boze geest op afstand houdt. Ontroerend zijn z’n oerdiepe kreten, wanneer de camera aan het slot van de film van de grond stijgt en de akker en de bossen in de diepte doet verdwijnen.

T.C. Boyle

april 5, 2009 - 2 Responses

p1010458

Met een prachtig treffende illustratie van Joost Swarte stond mijn bespreking van T.C. Boyle’s laatste roman afgelopen vrijdag in de NRC. Met The women schreef de zestigjarige Amerikaan, met sinds midden jaren tachtig een flinke productie van hoog niveau, weinig minder dan een fenomenale roman over de extravagante architect Frank Lloyd Wright en de vele vrouwen in diens libidineuze leven.

Veel auteurs zouden in de eigen handjes mogen knijpen, was het ze vergund tenminste één keer een boek te publiceren, dat zo fantasierijk, dwingend en stilistisch knap is. Voor Boyle blijkt dit een herhaald recept; lees het niet veel minder indrukwekkende, gelijksoortige The inner circle uit 2004.

Wel opmerkelijk is dat Ellen de Bruin bij verschijning dat jaar juist uitgesproken negatief was over deze roman over seksonderzoeker Alfred Kinsey, evenals Lloyd Wright een historisch romanpersonage, en diens assistent John Milk. ‘Had hij nou maar een non-fictiewerk geschreven’, schreef De Bruin, ‘dan had je je niet steeds hoeven afvragen of Kinsey écht Prok werd genoemd, of hij écht steeds over ‘the human animal’ sprak, of Prok en Milk écht de karakters hadden die Boyle hun toeschrijft, of Milk wel bestaan heeft – in hoeverre The Inner Circle op waarheid berust, kortom. ’

Een opvallend advies aan het adres van Boyle, aangezien de roman nou niet het instrument bij uitstek is voor waarheidsvinding.

Niet alleen in zijn studeerkamer, maar ook in de publieke ruimte is Boyle een opvallend humoristisch, onderhoudend en scherpe persoonlijkheid. Eigenschappen die doorgaans niet op schrijvers van toepassing zijn. Kijk naar zijn optreden niet lang geleden in San Francisco naar aanleiding van The women.

Na een korte speech leest hij een exemplarische scène voor, waarin het krankzinnige personage Maude Miriam Noel – Wrights tweede vrouw – de Mexicaanse grens oversteekt voor haar broodnodige dosis zelf toe te dienen morfine. Alle kwaliteit van Boyle duikt hier samengebald in op. Om met Frank Lloyd Wrights leerling Tadashi Sato te spreken: Capital.